A t.e.m. Z

Ook: Nubië - latere periode

Moderator: yuti

A t.e.m. Z

Berichtdoor Philip Arrhidaeus » Wo Jun 14, 2006 8:59 pm

Abacus: stenen blok dat boven op een zuil geplaatst werd om de architraaf te ondersteunen.

Abbott Papyrus: Ramessidisch document waarin de grafdiefstallen vermeld worden. (Nu in het Britisch Museum)

Achet: jaargetijde, wanneer de Nijl buiten haar oevers trad.

Aegis: een versiering van de processiebarken of een borstplaat met een afbeelding van een godheid.

A-groep: een inheemse neolithische cultuur van Neder Nubië die in de tweede helft van het vierde millennium v.Chr. opbloeide.

Ah-netjer: een term uit de Vroeg Dynastieke periode vertaalt als 'goddelijk paleis', maar enkel gekend uit teksten. Misschien de oorsprong van de 'funeraire omheiningen'.

Akh: gelukzalige, de gezegende geest, het gedeelte van de mens waar hij terug naartoe gaat na zijn dood en vertoeft tussen de sterren

Altaar: had verschillende vormen, enkele voorbeelden: in Edfu, Kom Ombo, Medamud en het Ramesseum leidde een trap naar een verhoging in open lucht waarop een altaar stond. In Amarna waren de open hoven van de tempels volgebouwd met kleine altaren voor de zonnecultus. Het altaar van albast in de zonnetempel van Niuserre in Aboesir. In Abu Simbel was een altaar voorzien van twee obelisken.

Amdoeat: ‘dat wat in de onderwereld is’, een voorstelling van de onderwereld, met de tocht van de zonnebark gedurende de twaalf uren van de nacht. Afgebeeld op de wanden van de koningstombes in de Vallei der Koningen.

Ambulatorium: overdekte, van zuilen voorziene, wandelgang langs de buitenzijde van kleine tempels of geboortehuizen of barkstations.

Amra: andere naam voor Naqada I periode, naar de vindplaats el-Amra ten zuiden van Abydos.

Amulet: een klein voorwerp welke de drager ervan beschermde tegen kwade krachten.

Anathyrosis: bouwtechniek gebruikt vanaf het Oude Rijk. Om perfect passende voegen te verkrijgen werden de niet zichtbare vlakken van de stenen een beetje uitgehold.

Anch: een veelvoorkomend teken dat ‘leven’ betekent.

Annalen: de voornaamste gebeurtenissen uit de regering van een koning, inscripties over de regeringen van de Vroeg Dynastieke farao’s en het begin van het Oude Rijk.

Archaïsch: de periode van de eerste twee dynastieën, ook Vroeg Dynastisch.

Architraaf: stenen balk welke bovenaan tussen de zuilen, of tussen de zuil en een muur, geplaatst werd om het dak te ondersteunen.

Ashlar: bouwtechniek waarbij alle natuurstenen dezelfde afmetingen hebben en opgestapeld zijn in lagen zodat horizontale doorlopende lijnen ontstaan.

Atef: kroon met planten, struisvogelveren en ramshorens.

Ba: lichamelijke ziel, voorgesteld als vogel met mensenhoofd. Kan overdag het graf verlaten, zich onder de mensen begeven, kan ’s nachts met de zonnebark meereizen.

Baard: het dragen van een baard (wangen geschoren) gaat terug tot Predynastisch Egypte, heel vroeg al wordt de farao afgebeeld met een valse baard die met touwtjes vastgemaakt werd aan de kroon (of rond de oren). De koningen dragen een rechte valse baard, onderaan iets breder. De godenbaard is gevlochten, smaller en met een kromming naar voren onderaan. Wanneer de koning afgebeeld wordt met een godenbaard (funeraire voorwerpen) is hij een Osiris geworden, t.t.z. overleden.
Ongeschoren werd beschouwd als onverzorgd, alhoewel sommigen een dun snorretje lieten groeien of een kort baardje. In de rouwperiode scheerde men zich ook niet.

Badari: periode rond 5000-4500 v.Chr in Boven Egypte, genoemd naar de vindplaats el-Badari ten zuiden van Assioet.

Baksteen: zeker vanaf Naqada I werden in de zon gedroogde modderstenen gebruikt voor diverse constructies. Er werden verschillende afmetingen gebruikt, de meest voorkomende is ongeveer 10 x 20 x 30 cm. Vanaf het Oude Rijk werden deze voor heilige gebouwen vervangen door natuursteen. In de zon gebakken stenen werden verder wel gebruikt voor o.a. paleizen, forten en ommuringen.

Baksteenstempels: zeker vanaf het Nieuwe Rijk kregen bakstenen soms een stempel met de naam van de (koninklijke) eigenaar van het gebouw.

Baldakijn: een schaduwgevende dak op steunen, dat een onderscheiding verleent aan de persoon die er zich onder bevindt.

Bark: draagbare heilige (model)boot waarin het godenbeeld vervoerd werd tijdens de processies. Er bestonden ook grote heilige boten waarmee op de Nijl gevaren werd.

Barkheiligdom: ruimte in tempel voor de naos waar de draagbare heilige bark in geplaatst werd. De Rode Kapel van Hatshepsut, het barkheiligdom van Philip Arrhidaeus in Karnak zijn hiervan voorbeelden.

Barkstation: gebouw binnen of buiten de tempelomwalling die diende als rustplaats voor de draagbare heilige bark tijdens processies. Eerst waren het waarschijnlijk gewoon baldakijnen, later werden het kiosken.

Basalt: zeer hard donker gesteente, vooral gebruikt tijdens het Oude Rijk als vloerstenen in piramide tempels zoals bij Khoefoe, Sahoere, Niuserre en Oeserkaf, maar ook in Tanis. Sarcofagen en naoi werden ook, maar zelden, uit dit gesteente gehakt.

Basis: de basissen van zuilen zijn cirkelvormig, obelisken staan op rechthoekige granieten basissen, grote standbeelden staan soms ook op een aparte basis.

Bekleding: de buitenste rij stenen van een piramide, tempelmuur of ander gebouw. De bekleding kan een afwerking van het geheel vormen en/of een versteviging van het binnenwerk.

Benben: heilige steen van Heliopolis, verschijningsvorm van Atoem, vroegste vorm van de obelisk.

Boecheum: de begraafplaats voor de Boechisstieren (‘levend beeld van Montoe’) van Hermonthis (Armant).

Boeken van de onderwereld: afbeeldingen in tombes die de overledene hielpen in het hiernamaals. Amdoeat, Boek van de Aarde, Boek der Poorten, Boek der Spelonken, …

Boomgodin: godin verbonden met een heilige boom, afgebeeld als boom met armen of als een vrouw die uit de boom te voorschijn komt. Hathor, Isis en Noet worden soms op die manier afgebeeld.

Boottocht naar Abydos: vanaf het Midden Rijk wordt de fictieve tocht per boot van de mummie of van een beeld van de overledene naar en van Abydos op de graftombes uitgebeeld. Op deze manier werd de overledene verbonden met de Osiris mysteriën te Abydos. Misschien had de eigenaar van de tombe deze ‘bedevaart’ ooit werkelijk gedaan. In de privégraven te Thebe zie je de boot soms zonder zeilen – stroomafwaarts heen– en met zeilen –stroomopwaarts terug – afgebeeld.

Bossen: ik kan dit veelgebruikte Engels woord niet correct vertalen: ‘bosses’. Uitstulpingen op sarcofaag(deksels) en steenblokken om ze met touwen makkelijker te kunnen verplaatsen. Stenen werden ook met deze uitstulpingen op elkaar geplaatst bij tempelmuren (Barkstation van Seti II te Karnak) en piramidebedekkingen (Menkaure). Eenmaal op hun plaats werden deze uitstulpingen weggehakt en werd de steen afgewerkt.

Bouwhelling: helling gebruikt om gebouwen op te trekken zoals piramides, tempels, ommuringen, het oprichten van zuilen en obelisken. Opgericht van een kern van aarde en losse stenen met verstevigingswanden van natuur- of bakstenen.

Breccia: oranje-rood gesteente met witte vlekken, gebruikt voor kleinere beeldhouwwerken.

Cachette: geheime bergplaats. Bijvoorbeeld DB 320, graf waar in 1881 veel van de koninklijke mummies uit het Nieuwe Rijk gevonden werden en Bab el-Gasus waar in 1891 meer dan 250 lijkkisten van priesters gevonden werden.

Caisson: een bouwtechniek waarbij in de 12de dynastie diepe putten konden gegraven worden in onstabiele bodem door een grote open doosvormige stenen rechthoek met open bodem in de grond te laten zakken en de vrij komende wanden met bakstenen te verstevigen.

Canneleren: ‘van groeven voorzien’, vandaar (in de lengterichting) gecanneleerde (gegroefde) zuilen, zoals die aan de ingang van het Djoser-complex in Saqqara. Ook proto-dorisch genoemd.

Canopen: vier vazen waarin de tijdens het mummificeren verwijderde ingewanden geplaatst werden, onder bescherming van de vier Horuszonen: Amset (lever), Hapi (longen), Doeamoetef (maag) en Kebehsenoef (darmen). Het deksels van de vazen hadden soms de vorm van een mensenhoofd of van het hoofd van Amset (mensenhoofd), Hapi (aap), Doeamoetef (jakhals), Kebehsenoef (valk).

Canopenkist: kist waar de vier canopenvazen in bewaard werden. Ter extra bescherming stonden op de canopenkist van Toetanchamon: Isis bij Amset, Nephtys bij Hapi, Neith bij Doeamoetef en Selkit bij Kebehsenoef.

Cartouche: van het Frans afgeleide naam voor de ovale vorm waarin de geboortenaam en de troonsnaam van de koning staat. De cirkelvorm staat voor eeuwigheid en wordt afgebeeld als een geknoopt touw.

Cartonnage: een omhulsel dat direct de mummie bedekte. Omheen een mal werd met linnen en gom een soort papier-maché gemaakt in een menselijke vorm en met stuc en verf afgewerkt. Kan een volledig omhulsel zijn (open aan het voeteinde, waarvoor dan een plank gebruikt werd om af te dichten) of een combinatie van masker en voethuls.

Cataracten: Griekse naam voor de (zes grote) stroomversnellingen in het zuiden, tussen Assoean en Chartoem. De eerste cataract bij Assoean vormde de natuurlijke grens tussen Egypte en Nubië.

Cenotaaf: symbolisch graf voor de elders begraven overledene.

Chat: hoofddoek, duidelijk te zien op het levensgrote beeld dat in de tombe van Toetanchamon als bewaker stond ten westen van de doorgang naar de grafkamer.

Cheker: (Kheker) decoratief element dat in rijen naast elkaar geplaatst een fries vormde bij de bovenrand in tempels of (tegen het plafond) in de koningsgraven van de 18de dynastie.

Chepesj: sikkelzwaard, soms afgebeeld bij 'het neerslaan van de vijanden'.

Chepresj: (Khepresh) de blauwe kroon van de farao, bedekt met kleine gele ringen. Soms ook ‘oorlogskroon’ genoemd.

Cilinderzegels: een cilindervormige steen (of zelden: hout), waarin een inscriptie staat. Door dit over een stuk natte klei te rollen, werd een indruk gemaakt van wat er op de cilinderzegel stond, meestal naam en/of titel van de eigenaar.

Contratempel: aan de achterzijde van een tempel gebouwde nis of reliëfvoorstelling van de god van de tempel of goddelijke oren, bedoeld als populaire cultusplaats, waar het gewone volk zijn geboden tot de god(en) kon richten.

Criosfinx: sfinx met ramskop.

Crypte: ondergrondse ruimte in tempel.

Dalfeest: vanaf het Midden Rijk belangrijk feest in Thebe waarbij de beelden van de goden, waaronder Amon, in hun bark gedurende een processie van hun tempels op de oostelijke oever van Thebe in boten overgezet werden naar Thebe West om daar de dodentempels van de koningen te bezoeken. Vergelijk: Opet-feest.

Deambulatorium: de ruimte die vrijgelaten werd tussen de buitenmuur van een tempel en de omheiningmuur, bijvoorbeeld in Edfu.

Deben: gewichtsmaat, 13,6 gram in het Oude Rijk, 91 gram in het Nieuwe Rijk.

Demotisch: (afgeleid van het Grieks voor volksschrift) het dagelijks gebruikte cursieve schrift uit de Late en de Grieks-Romeinse Tijd, ontstaan uit het hiëratisch. Laatst gedateerde tekst in demotisch: 452 n.Chr.

Deurrol: in het Oude Rijk veelvuldig voorkomende cilindervormige voorstelling van een opgerolde rieten mat (gordijn) boven de doorgang van een tombe of bij een ‘valse deur’ in de tombe.

Dierenriem: werd geïntroduceerd in Egypte in de Grieks-Romeinse periode, vanuit Babylonië en Griekenland en gebruikt als versiering van plafonds in tempels o.a. Dendera, tombes en lijkkisten. Niet te verwarren met ‘astronomische plafonds’, waarvan het oudst geregistreerde zich in de tombe van Senenmoet (TT353) bevindt.

Dioriet: hard donkergrijs stollingsgesteente met blekere vlekken.

Djed: symbool van duurzaamheid en veelgebruikt als amulet. Vroeger met Ptah, later met Osiris verbonden, soms ook ‘ruggengraat van Osiris genoemd.

Dodenboek: de moderne benaming voor een verzameling spreuken en illustraties die vanaf het Nieuwe Rijk tot doel hadden de overledene te helpen in het hiernamaals. Werd ook (gedeeltelijk) bij privé-personen op papyrusrollen meegegeven in de tombe of bepaalde delen werden afgebeeld op grafmuren of voorwerpen. Deze spreuken zijn een verdere evolutie van de Piramideteksten en de Sarcofaagteksten.

Dodentempels: benaming voor de tempels bij de piramides of de koninklijke tempels (Huizen van Miljoenen Jaren) die aan de rand van de woestijn in Thebe West staan.

Dolomiet: een soort kalksteen, bestaande uit calcium en magnesium carbonaat.

Doloriet: extreem hard gesteente gebruikt als hamers om ander gesteente bij te werken.

Dromos: Griekse naam voor de laan of processieweg die naar een tempel leidde.

Dualiteit: veelvoorkomend begrip zoals de Beide Landen, Beide Oevers, Vruchtbaar land en Woestijn.

Dubbele kroon: ‘psjent of pschent’ kroon van Opper- en Neder Egypte, een combinatie van de Witte en de Rode kroon.

Dyade: term gebruikt om een uit twee personen (man-vrouw, persoon-godheid) bestaande beeldengroep aan te duiden.

Dynastie: dankzij Manetho (priester van Heliopolis, 3de eeuw v.Chr.) delen wij de opeenvolging van de farao’s in 30 dynastieën in.

El: (Eng Cubit) standaard lengtemaat, vanaf het Oude Rijk 52,5 cm. Onderverdeeld in zeven handbreedtes van 7,5 cm welke vier vingerbreedtes bevatten van 1,875 cm.

Elektron: een in de natuur voorkomende legering van goud en zilver dat echter ook kunstmatig samengesteld werd.

Enneade: groep van negen goden. Bijvoorbeeld: Atoem, Sjoe en Tefnoet, Geb en Noet, Osiris en Isis, Seth en Nephtys. Soms wordt Horus hieraan toegevoegd en Atoem aan het hoofd gesteld.

Epitheton: een beschrijvend woord (of zin) toegevoegd aan een naam, bijvoorbeeld gebruikt bij de naam van een godheid.

Faience: eigenlijk een andere bewerking dan de ‘moderne’ faience; in het oude Egypte een samenstelling van kwarts met kalk en kleurstoffen, welke gebruikt werd voor kleine voorwerpen zoals oesjabti’s en amuletten.

Farao: woord afkomstig van ‘pr-93’ of ‘per-aa’ wat ‘groot huis’ betekent. Eerst werd het koninklijk paleis bedoeld, vanaf de 18de dynastie de koning.

Feestkalender: lijsten die o.a. op de muren van de Nieuwe Rijk tempels werden opgetekend en die de offers, feesten en feestdagen weergaven.

Fetisj: een symbool of een totem welke met een godheid verbonden was en waarvan geloofd werd dat het bepaalde krachten bevatte en/of verleende die eigen waren aan die godheid.

Flabellum: waaier met struisvogelveren. Er wordt soms een waaier met één veer afgebeeld die waarschijnlijk eerder een ceremoniële dan een praktische functie had en ook die vastgehouden wordt door Nekhbet ter bescherming van de farao.

Fort: door heel de oud-Egyptische geschiedenis gebruikte versterking van militaire basissen. Het bekende fort van Sesostris I te Buhen was 215 x 460 meter groot met een buitenste omheiningmuur van 4 meter dikte en 32 halfcirkelvormige torens. Daarin een omheining van 150 x 170 meter met muren van 5 meter dikte en 11 meter hoogte en verdere versterkingen.

Funderingsceremonie: rites, in theorie uitgevoerd door de koning en de godin Seshat, bij het optrekken van (religieuze) gebouwen. Een bekend ritueel was ‘het spannen van het koord’ waarbij het bouwplan vastgelegd werd.

Funderingsdepots: (funderingsoffers) kleine voorwerpen die bij gebouwen of tombes begraven werden in verband met de funderingsceremoniën.

Funeraire kegel: conische vorm in klei die in de muur geplaatst werden. Kleintjes (8cm) werden reeds voor het Oude Rijk geplaatst als muurversiering en evolueerden tot de grotere 52 cm lange variaties die in Opper Egypte teruggevonden zijn vanaf de 11de dynastie en in het Nieuwe Rijk op hun basis de naam van de eigenaar dragen en boven de ingang van tombes aangebracht werden.

Funeraire omheining: een grote rechthoekige ommuring die hoogstwaarschijnlijk een functie had in de dodencultus van de koning. In Abydos vanaf koning Djer, in Hierakonpolis gebouwd tijdens de regering van Khasekhem(uy).

Gallerijtombe: de onderaardse graven uit de 2de dynastie in Saqqara, waarbij zeer veel kamers langs een lange gang (tot 400 meter) liggen.

Geboortehuis: ook mammisi genoemd. Bij een godentempel (uit de Late Tijd en Grieks-Romeinse periode) gebouwde kleinere tempel waar (tijdens een processie) het godskind van de bij de grote tempel geassocieerde triade vereerd werd.

Geboortelegende: de mythe van de goddelijke afstamming van de koning wordt bijvoorbeeld in de tempel van Luxor afgebeeld. Amon-Re neemt de gedaante van de koning aan om bij de koningin de troonopvolger te verwekken. Op die manier wordt de goddelijke en menselijke natuur van de farao verklaard.

Gedenkscarabee: in grote aantallen verspreide scarabee met op de onderkant de vermelding van een historische of godsdienstig gebeurtenis.

Gevleugelde zonneschijf: zonneschijf met een paar uitgespreide vleugels, verbonden met Horus van Edfu (Behdet) vandaar de naam Behdeti (Behedeti, Behdety). Vooral afgebeeld boven doorgangen en stèles.

Godsgemalin: titel van de hogepriesteres die beschouwd werd als de gemalin van Amon te Thebe. In het Nieuwe Rijk zijn dat de vrouwen en dochters van de koning. In de Derde Tussenperiode vervulden ongehuwde dochters van het koningshuis uit het noorden deze rol.

Gouden Horusnaam: maakte deel uit van de officiële koningstitulatuur. De horusvalk wordt afgebeeld op het symbool voor goud. Goud is ‘het vlees van de goden’.

Gouw: (Egyptisch: sepat, Grieks: nomos) afzonderlijke bestuurseenheden die wellicht ontstaan waren uit prehistorische stamgebieden, die elk een eigen standaard hadden.

Graffiti: meestal wordt hiermee de korte teksten bedoeld die op rotsen, beelden of andere voorwerpen in hiëratisch of demotisch aangebracht werden.

Graniet: het meest voorkomende van deze harde steensoort was roze graniet uit Assoean, veelvuldig gebruikt tijdens de regeringen van Choefoe en Menkaure, later ook voor naoi, obelisken en standbeelden.

Gypsum: (gips, calciumsulfaat) werd al in de Maadi cultuur gebruikt. Gemengd met kalk gaf dit een zeer wit resultaat. Onder andere gebruikt om muren en plafonds te bepleisteren en als basis voor schilderwerken in tombes en tempels.

Hathorzuil: zuil met blokvormig kapiteel dat aan twee of alle vier de zijden een vrouwengezicht laat zien met de oren van een koe.

Heb-Sed: (Sed feest) jubileumfeest (na 30 jaar regeren en daarna telkens om de drie jaar) dat als bedoeling had een vernieuwing of verjonging van het fysieke aspect (en de koninklijke macht) van de farao te bewerkstelligen.

Heilig meer: op het tempeldomein aangelegd kunstmatig meer welke een rituele functie had.

Hemispeos: (afgeleid van het Grieks, halve grot) tempel waarvan het achterste gedeelte in de rots is uitgehouwen terwijl de voorkant een vrijstaand, gebouwd gedeelte is.

Heqa: (heka, hekat) kromstaf als onderdeel van de koninklijke ceremoniële dracht, samen met de Nechacha.

Hiëratisch: de gewone vorm van de hiërogliefen die gebruikt werd op papyrus en ostraca. Langzamerhand werd dit schrift voor dagelijks gebruik vervangen door het demotisch en diende nog enkel voor godsdienstige teksten.

Hiërogliefen: (van het Grieks: heilige tekens) schrift gebruikt op de monumenten.

Hin: inhoudsmaat, ongeveer 0,48 liter.

Hogepriester: de vertegenwoordiger van de farao in het tempelritueel. Hij stond aan het hoofd van de priesters van een bepaalde god en het bijbehorende tempelpersoneel. Niet alleen beheerde hij de tempel in spiritueel, maar ook in materieel opzicht.

Horusnaam: de eerste en oudste naam van een koning, vaak geschreven binnen een serech. Boven de serech staat Horus afgebeeld.

Horus-oog: in de mythe van Horus en Seth wordt het oog van Horus verwond en herstelt het zich; vanwege deze genezende kwaliteit: het veelvoorkomende Oedjat amulet.

Horuszonen: beschermgoden van de canopen: Amset, Hapi, Doeamoetef en Kebehsenoef. Als zonen van Horus namen zij deel aan het ritueel dat Osiris terug tot leven wekte en dus deden ze dat voor iedere overledene.

Hypostyle hal: zuilenzaal, zoals de bekende grote zuilenzaal in de tempel van Amon te Karnak die ongeveer 5.500 vierkante meter groot is en waarvan de grootste architraven 70 ton wegen.

Ib: Het hart werd indien mogelijk op zijn plaats gelaten en niet uit de mummie verwijderd omdat men dacht dat dit orgaan de zetel van de wijsheid was. Er zijn zelfs spreuken in het Dodenboek die verzekeren dat lichaam en hart niet van elkaar werden gescheiden.

Isisknoop: (Egyptisch: tit of tet) op een anch-teken lijkend teken, vaak als amulet gebruikt of als magisch symbool aangebracht in grafkamers.

Isjedboom: (Eng. Ished) vanaf de 18de dynastie zijn er afbeeldingen in tempels te zien van een ceremonie waarbij de troonnaam van de koning op de bladeren van de isjedboom geschreven wordt met als doel de farao de eeuwige heerschappij te verlenen.

Isjeroe: (Asjeroe, Isheru, Asheru) hoefijzervormige versie van het heilig meer, zoals in het Moet domein in Karnak.

Ithyfallisch: met opgerichte penis, zoals vooral de god Min voorgesteld wordt, maar ook soms Amon en de terug tot leven gewekte Osiris.

Jubileumfeest: zie Heb-Sed.

Ka: levenskracht, huist in de khat en/of in het standbeeld van de overledene. Daardoor wordt het voedsel ook aan de Ka-beelden van de dode aangeboden. Door de begrafenisrites werd de Ka opnieuw verenigd met de Khat. De Ka wordt voorgesteld door opgeheven armen die weellicht moeten gezien worden als uitgestrekte armen in een ontvangen van, een omhelzing en/of bescherming.

Kalksteen: het meest gebruikte bouwmateriaal vanaf de eerste dynastie, in de 18de dynastie vervangen door zandsteen. Een zachtere kalksteensoort werd gebruikt voor funderingen en binnenwerk van muren of gebouwen, terwijl de hardere soort de bekleding vormde.

Kantelen: de bovenkant van forten, maar ook delen van tempels, werden gevormd door kantelen, zoals ‘De Hoge Poort’ in Medinet Haboe.

Kapiteel: het bovenstuk van een zuil of pilaar, net onder de abacus.

Kemet: (Kmt) oude naam voor Egypte, het zwarte, vruchtbare land.

Kiosk: gebouw waar schermmuren geplaatst zijn tussen de zuilen of de pilaren die al of niet een dak ondersteunden. Een dergelijk bouwsel deed dienst als barkstation.

Kohl: zwarte oogschaduw aangebracht als versiering en bescherming tegen oogziekten.

Koningslijst: chronologische lijst van de koningen met vermelding van de duur van hun regering. Bijvoorbeeld de koningslijst in Turijn.

Koningstitulatuur: vijf namen: de Horus naam, de Nebti-naam, de Gouden Horusnaam, de Nesoe-Biti naam en de Sa-Ra naam, waarvan de eerste in een serech en de laatste twee in een cartouche geschreven werden.

Koningszoon van Koesj: titel, vertegenwoordiger van de koning en hoogste Egyptische macht in Nubië tijdens het Nieuwe Rijk.

Kosmogonie: scheppingsverhaal (zie aldaar)

Kroonlijst: (holkeel, Eng. Cavetto cornice) holle kroonlijst bovenaan gebouwen, schijndeuren of stèles. Halfcirkelvormige scherp naar voren komende rand, afgeleid van een plantaardige vorm, misschien palmbladeren.

Kraagsteengewelf: (Eng. Corbelled roof) op elkaar trapsgewijs gelegde stenen balken die zo een gewelf vormen, o.a. piramides van Snofroe.

Kubusbeeld: vanaf het Midden Rijk tot in de Grieks-Romeinse Tijd veel voorkomend beeld van een gehurkte privé-persoon, met opgetrokken knieën en armen over elkaar, het lichaam in een doek omhuld.

Labyrinth: Herodotus had het over een labyrint ‘even voorbij het Moiris-meer, ongeveer ter hoogte van de stad die Krokodeilopolis heet’. Het complex werd ook nog beschreven door Strabo en Diodorus en werd vergeleken met het labyrint in Knossos. In feite gaat het hier over een gebouw of liever gebouwen die aansloten bij de piramide van Amenemhat III te Hawara. Van het ‘labyrint’ is nu bijna niets meer over. De stenen ervan zijn opnieuw gebruikt voor andere constructies waarschijnlijk reeds vanaf de Romeinse tijd.

Lijkkist: houten kist, rechthoekig of mensvormig waarin de mummie geplaatst werd, al of niet eerst in een cartonnage, al of niet in meerdere lijkkisten.

Mammisi: zie Geboortehuis

Mastaba: Arabisch voor ‘bank’. Massief rechthoekig bovengronds bouwsel met schuinstaande wanden van bakstenen of natuurstenen en een plat dak, opgetrokken boven het graf van een koninklijke of privé-persoon, typisch voor de Vroeg Dynastieke tijd en het Oude Rijk.

Menat: oorspronkelijk een halssnoer dat rond de nek gedragen werd en in het Oude Rijk geassocieerd werd met Hathor en daardoor een ceremoniële functie kreeg. Door die connectie met Hathor kreeg het rinkelen met de kralen een magische betekenis in die zin dat het de goeie eigenschappen van de godin kon oproepen. Hierdoor werd het halssnoer meer en meer afgebeeld in de hand i.p.v. rond de nek.

Mondopeningsritueel: het ritueel om mummies, maar ook beelden tot leven te wekken. De beelden konden aldus genieten van de offergaven, de mummie kon ‘levend’ in het hiernamaals treden. Een vaak afgebeelde scène is ‘het openen van de mond’ door een ritueel voorwerp voor de mond van de overledene te houden.

Mummificatiehuis: een bouwsel waarvan men weet het bestond, maar welke nog niet teruggevonden werd, behalve de balsemingplateaus uit calciet voor de Apis-stieren op het gebied van de Ptah-tempel in Memphis. Ibu (Oude Rijk), Per-nefer, Seh-Neter zijn mogelijke benamingen. Dat de valleitempels zouden gediend hebben voor het mummificatieproces is niet bewezen.

Mummieplank (plankdeksel): versierde plank die de mummie bedekte, als voorganger van de cartonnage.

Naos: de afsluitbare stenen kapel in een tempel waarin het godenbeeld stond. De voorbeelden die teruggevonden zijn bestaan uit één stuk steen, niettegenstaande oude naoi uit hout gemaakt werden. De naos stond in het adyton, heiligdom of ‘heilige der heiligen’: een in de Grieks-Romeinse periode los van de rest van de tempel staande structuur.

Naqada: niet alleen de naam van de vindplaats Naqada, maar ook voor de groep culturen in de bocht van de Nijl tussen Abydos en Luxor die zich ontwikkelden in de Predynastieke en de Vroegdynastieke Tijd.

Natron: in de natuur voorkomend zout uit de westelijke Delta, gebruikt voor het wassen van lichaam, kleren en tanden. Vooral bekend door het gebruik om tijdens de mummificatie het lichaam van de overledene met natron uit te laten drogen.

Nebti-naam: maakt deel uit van de koningstitulatuur vanaf de eerste dynastie. Deze naam wordt voorafgegaan door twee tekens die als nebti of ‘de twee meesteressen’ worden gelezen, waarmee de twee godinnen van beide landsdelen bedoeld worden: Nechbet en Wadjet of Oeto.

Nechacha: vlegel of herderszweep als onderdeel van de koninklijke ceremoniële dracht, samen met de ‘heqa’.

Necropolis: (Grieks: dodenstad) aanduiding voor een begraafplaats.

Neder Egypte: het noorden, afgebeeld door de papyrus en de cobra Oeto of Wadjet op het voorhoofd van koninklijke afbeeldingen.

Nemes: vanaf het Oude Rijk wordt de koning met deze hoofddoek afgebeeld, waarvan twee uiteinden op de schouders en borst rusten en in de nek het doek in een staart of vlecht samengebonden wordt.

Nesoe-Biti naam: in een cartouche geschreven officiële troonnaam van de koning, die ingeleid wordt door twee tekens die vertaald worden als ‘hij die behoort tot de rietplant en de bij’ en die verwijzen naar Opper Egypte (de rietplant) en Neder Egypte (de bij).

Nilometer: een put of trappengang die in verbinding stond met de Nijl, waarvan de wanden gebruikt werden om de stand van de Nijl op te meten en aan te duiden.

Nissenfaçade: een bouwstijl van in en uitspringende stenen met nissen, die zijn oorsprong vond in Neder Egypte of in Mesopotamië. In de derde dynastie ging men over van het gebruik hiervoor van bakstenen naar natuurstenen. Deze nissenfaçade werd ook afgebeeld op de sarcofagen vanaf de 4de dynastie. De symboliek hierachter is de connectie met het koninklijk paleis, daarom ook ‘paleisfaçade’ genoemd.

Obelisk: meestal in paren opgerichte monolithische lange pilaar, dikwijls van roze graniet, bekroond met een (met elektron beklede) piramidion, geassocieerd met de benbensteen. De grootste ooit is van Thoetmozes III en staat nu op de Piazza San Giovanni in Laterano in Rome, 32,18 meter hoog.

Oedjat-oog: Horus-oog (zie aldaar)

Oerheuvel: in de scheppingsverhalen was de oerheuvel het eerste land dat te voorschijn kwam uit de oeroceaan, de chaos. Op deze oerheuvel vond de eigenlijke schepping plaats. De naos in de tempel beeldt symbolisch de oerheuvel en de plaats van schepping uit.

Oesjabti (ushabti, ushebti, shabti, shawabti): kleine figuren die in de tombe geplaatst werden en waarvan het de bedoeling was dat ze in plaats van de overledene in actie kwamen wanneer ze nodig waren, ‘geroepen werden’.

Offertafel: stenen tafel of tablet waarop de offers voor de overledene werden gelegd. Er waren vaak uithollingen voorzien voor de offers en/of de meest voorkomende of gewilde offers afgebeeld.

Ogdeade: groep van acht goden in het scheppingsverhaal van Sjmoen-Hermopolis, of eerder wat voor de schepping was: Noen en Noenet (de oerwateren), Heh en Hehet (de ruimte), Kek en Keket (de duisternis), Amon en Amonet (het verborgene). Aan het hoofd van deze groep kon Thot staan. (Hermes in het Grieks, vandaar Hermopolis, het huidige El-Asjmoenein)

Omheiningmuur: steden, forten, paleizen en tempels hadden een omheiningmuur. In Karnak is de bakstenen muur van Nectanebo I 21 meter hoog en 10 tot 12 meter dik.

Opet feest: belangrijk ritueel feest in Thebe waarvan het hoogtepunt de processie was van het godenbeeld van Amon welke in zijn bark van Karnak naar de tempel van Luxor gedragen werd (en terug).

Opper Egypte: (ook Boven Egypte) het zuiden, afgebeeld door de lotusbloem en de gier Nechbet op het voorhoofd van koninklijke afbeeldingen.

Orientatie: de richting in bouwplannen werd in het oude Egypte aangegeven door de baan van de zon, de loop van de Nijl en geografische omstandigheden. Uitzonderingen daargelaten, lag de ingang van de piramides op de noordkant, stond de sarcofaag in de grafkamer met het hoofdeinde naar het noorden en de ingang van tombes, dodentempels en tempels zijn naar de Nijl gericht.

Osirispijler: vooral in het Nieuwe Rijk gebruikte manier om in de tempels de koning af te beelden als een mummie met zijn rug tegen een pilaar of een muur, zonder dragende functie.

Ostracon: een scherf van een pot of een plat stuk steen waarop geschreven werd. Ostraca werden gebruikt voor alledaagse zaken als notities allerhande, brieven, rekeningen, schrijfoefeningen en schetsen van kunstenaars.

Paleis: niettegenstaande het koninklijk paleis vanaf de eerste dynastie een fundamenteel element in de Egyptische architectuur vormde zijn hier jammer genoeg slechts overblijfselen van teruggevonden: o.a. Malqata (Amenhotep III) en in Tell el-Amarna (Echnaton).

Paleisfaçade: term waarmee een veelvuldig voorkomend motief in kunst en architectuur aangeduid wordt: een poort geflankeerd door twee torens. De paleismuur werd afgebeeld in de serech en wordt overgebracht op de mastaba’s, gaat over in de schijndeur en wordt afgebeeld op de sarcofagen.

Palet: een plat stuk steen, bedoeld om minerale pigmenten fijn te drukken en cosmetica te maken. Uit de Predynastieke periode is de ceremoniële palette van Narmer het meest bekende voorbeeld.

Papyrus: vanaf de 1ste dynastie de belangrijkste basis voor het schrijfmateriaal, maar werd ook gebruikt voor manden, matten, sandalen, boten en werd in de architectuur afgebeeld door bijvoorbeeld de papyruszuil. De plant stierf uit in Islamitische tijd. De afbeelding van de papyrusplant had, omdat ze in de Delta massaal voorkwam, de symbolische waarde van Neder Egypte.

Pectoraal: borstplaat, meestal versierd en van kostbaar materiaal.

Peret: jaargetijde van het opkomen van het gewas.

Peristyle: binnenplaats met een open ruimte in het midden en aan de zijkanten een door een zuilenrij ondersteund dak.

Pilaar: verticale vierkante of rechthoekige (meestal ondersteunings-) structuur (pijler), al of niet gedecoreerd met reliëfs, standbeeld (Osirispijler), of bekroond met een holle kroonlijst.

Piramidestad: nederzetting in de onmiddellijk nabijheid van een piramidecomplex, gesticht door de overheid of de clerus met als doel de uitvoering van de dodencultus van de koning te blijven handhaven.

Piramideteksten: vanaf de piramide van Oenas (5de dynastie) worden deze religieuze teksten in de koninklijke piramides teruggevonden. Onder andere hielpen deze spreuken en rituele formules de koning de gevaren in het hiernamaals te overwinnen en herinneren hem aan de correcte namen en woorden die hij dient te gebruiken om zijn doel te gebruiken: het opstijgen naar de sterrenhemel.

Piramidetempels: de in Meidoem aan de oostkant van de piramide gelegen offerplaats voor Snofroe was waarschijnlijk de voorganger van de grote piramidetempels, gebouwd vanaf Choefoe.

Piramidion: bovenste deel van piramiden (afzonderlijke deksteen) en obelisken (één geheel met de obelisk zelf).

Porticulli: de zware natuurstenen die de doorgang naar of de ingang tot de grafkamer moesten verhinderen en die na de begrafenis op hun plaats geschoven of neergelaten werden.

Predynastische periode: wat voorafging aan de dynastische periode (dus voor de vereniging van Egypte), gevolgd door de Vroegdynastische periode (0-2de dynastie) en het Oude Rijk (vanaf 3de dynsatie). Er bestaan ook andere indelingen.

Pronaos: zuilenhal, geplaatst voor het eigenlijke tempelgebouw, waarvan het front dicht is of meestal halfopen door een schermmuur. Constructies vanaf Amenhotep III worden in de tempel opgenomen door latere aanvullingen, zoals in de tempel van Luxor. In de Ptolemaeïsche periode en Grieks-Romeinse Tijd komt deze meer voor (Edfu, Esna, Kom Ombo, Dendera) en vervangt de hypostyle hal.

Propyloon: poort die voor de pyloon staat.

Psychostase: het wegen van het hart, wordt afgebeeld bij spreuk 125 van het Dodenboek. Het hart van de overledene wordt gewogen op een balans tegenover de pluim van Maat, in aanwezigheid van Osiris (en Isis, Nephtys, …). Ammit, ‘de verslinder’ staat klaar om in actie te treden indien de uitslag in het nadeel is van de overledene. Het oordeel berust op de vraag of de dode in overeenstemming met Maat heeft geleefd, m.a.w. of hij zich correct heeft gedragen.

Pyloon: de door twee torens geflankeerde, monumentale toegangspoort van een tempel. De grootste pyloon is die van Karnak: 122 m breed, 15 m dik en 43,5 m hoog.

Reliëf: wanneer de voorstelling uit het vlak komt heet dat laag-, bas- of vlakreliëf (Eng.: raised relief); hier wordt de oppervlakte om de figuren heen verwijderd. Wanneer de voorstelling in het vlak verzonken is noemt men dit verzonken reliëf, diepreliëf, hol reliëf of reliëf en creux (Eng.: sunk relief). Het eerste werd vooral aangewend voor binnenmuren, het tweede was goedkoper en diende in vele gevallen voor de buitenmuren.

Reservekop: (Reservehoofd, ook Portretkop genoemd) stenen koppen uit het Oude Rijk, afbeeldingen van de overledene, die vrijstaand in het graf geplaatst werden, vooral in Gizeh. Misschien zijn ze bedoeld als ‘reserve’ voor de overledene, of misschien zijn het portretkoppen ter vervanging van volledige beelden.

Rijksgod: sommige goden waren van staatswege belangrijker dan andere, plaatselijke goden. Vanaf de 5de dynastie was dit Re, in het Nieuwe Rijk waren dit Amon van Thebe, Re van Heliopolis en Ptah van Memphis.

Rode kroon: kroon van Neder Egypte.

Rondstaaf: (torus) horizontale of verticale halfronde afwerking van gebouwen.

Saff tombe: (van het Arabisch voor ‘rij’) hiermee wordt gewoonlijk een groep rotsgraven uit het begin van de 11de dynastie (Intef I-II-III) aangeduid in Thebe West.

Sarcofaag: stenen omhulsel voor een mummie.

Sarcofaagteksten: naam gegeven aan de spreuken die aan de binnenkant van de houten lijkkisten geschreven werden vanaf de Eerste Tussenperiode. De Sarcofaagteksten waren eigenlijk een verdere evolutie van de Piramideteksten en een democratisering van het hiernamaals.

Sa-Ra naam: vertaling van ‘zoon van Ra, de geboortenaam van de koning, de naam dus hij had voor zijn kroning, een beetje vergelijkbaar met onze familienaam denk ik, bijvoorbeeld Ramses, Montoehotep, Antef, Sesostris, Amenhotep, Amenemhet, Thoetmozes.

Scarabee: de mestkever werd onder de naam Chepri geassocieerd met de opkomende zon en werd dikwijls afgebeeld, o.a. als amulet.

Scheppingsverhaal: In het scheppingsverhaal van On-Heliopolis is Noen het oerwater. In het begin bestond alleen Noen - geen godheid dus maar enkel het water - waaruit een heuvel ontstond en waarop Atoem de goden schiep. Noen maakt hier dus géén deel uit van de Enneade.
In het scheppingsverhaal van Sjmoen-Hermopolis is Noen een mannelijke god en heeft zelfs een vrouwelijke partner, Noenet. Samen zes andere goden vormen ze de Ogdeade.

Schermmuur: (Eng. Screen wall) halfhoge afscheidingsmuur, in origine matten die tussen houten palen opgehangen werden, later in steen nagebouwd en van afbeeldingen voorzien tussen de pilaren of zuilen van barkstations, kiosken, pronaoi en geboortehuizen.

Schijndeur: een stenen of houten imitatie van een deur (zonder werkelijke doorgang) meestal in het westen, een symbolische overgang naar het hiernamaals.

Serapeum: in Alexandrië wordt een heiligdom voor Serapis zo genoemd, maar het bekendste Serapeum is de begraafplaats voor de Apis stieren van Memphis in Saqqara.

Serdab: (van het Arabisch voor kelder) term voor de, afgezien van een smalle spleet in een muur, afgesloten ruimte uit het Oude Rijk waar een standbeeld van de overledene stond.

Serech: afbeelding van de voorgevel van een paleis (of van een ommuring) met een rechthoekige ruimte waarin de Horusnaam van de koning staat.

Silex: hard gesteente waarmee in de Predynastieke en Vroegdynastieke periode gereedschap werd gemaakt.

Sistrum: muziekinstrument met een ceremoniële functie, verbonden met Hathor. Het instrument kon bestaan uit een handvat met daaraan bevestigd een eenvoudige metalen lus of beugel met gaatjes waar metalen staafjes doorheen staken. Of het kon bestaan uit een handvat met ‘de ratel’ in een vorm van een naos boven een Hathorkop. Het laatste werd weergegeven als kapiteel in de architectuur: de Hathorzuil.

Sjadoef: een hefboom waaraan (open) kruik vastgemaakt werd om water over te hevelen van een lager gelegen wateroppervlakte naar een hoger, bekend vanaf de 18de dynastie en nog steeds in gebruik.

Sjemoe: seizoen van de oogst.

Slede: het voornaamste middel om zware stenen te verplaatsen. Er zijn slechts enkele voorbeelden gevonden zoals de iets meer dan 4 meter lange slede bij het piramidecomplex van Sesostris II.

Sothis: de ster Sirius die bij opkomst de overstromingen van de Nijl leek aan te kondigen, het begin van een nieuw jaar.

Speos: tempel of kapel die geheel in de rotsen is uitgehouwen.

Stèle: rechtopstaande stenen (of houten) plaat waarop tekst en afbeeldingen stonden. Een stèle kan bescheiden afmetingen hebben zoals bijvoorbeeld privé-grafstèles of enorm groot zijn zoals een wijdingsstèle. Er waren ook stèles die tegen een muur leunden of in de muur uitgehouwen waren.

Talatat: van het Arabisch afgeleid woord ter aanduiding van de kleine stenen blokken (ong. 54x27x27cm) die gebruikt werden door farao Echnaton, bijvoorbeeld in Karnak (zandsteen) en in Achetaton (kalksteen).

Temenos: het heilige terrein binnen de tempelommuring.

Triade: een standbeeld met drie figuren, bijvoorbeeld drie goden: vader moeder en zoon.

Tumulus: een lage, ronde kunstmatige heuvel boven een ondergronds graf.

Uraeus: de beschermende cobraslang in koninklijke afbeeldingen.

Valleitempel: (ook daltempel) vanaf de regering van Snofroe tot de 12de dynastie werden tempels gebouwd als onderdeel van het piramidecomplex, verbonden door een verbindingsweg met de piramidetempel. De valleitempel bevond zich aan een kanaal of een kleine haven, dicht bij de begroeiing.

Verbindingsweg: (ook verhoogde weg, staatsieweg, processieweg, Eng; causeway) ommuurde, vaak overdekte weg die de valleitempel en de piramidetempel verbond.

Verbindingspen: een verbindingsstuk van hout, steen of van brons werd in een overeenkomstig gat geplaatst wanneer men een stevige verbinding wou maken tussen twee stenen. Soms droegen deze verbindingspennen de naam van de koning. Zeker vanaf de 4de dynastie gebruikt hadden ze afmetingen van 30 cm tot 1,5 meter. Zo kun je op de daken van de tempels in Thebe meerdere lege gaten zien waar deze verbindingspennen hebben gezeten.

Verschijningsvenster: afbeeldingen in privé-tombes tonen dat er vensters of balkons bestonden waar de koning zich aan zijn onderdanen liet zien. In de Dodentempels in Thebe West geeft een Verschijningsvenster vanuit het (cultus) paleis uit op de eerste hof.

Vlaggenmast: van takken ontdane boomstammen, versierd met wimpels, stonden in granieten basissen en werden bevestigd in daarvoor voorziene nissen in de façade van een pyloon. Waarschijnlijk vinden deze masten, die 30 meter hoog konden zijn, hun oorsprong in de godenstandaards.

Vignet: moderne naam voor de illustraties in het Dodenboek.

Vizier: de hoogste bestuursfunctie na de koning waarvan de oorsprong zeker al in de Vroegdynastische periode moet gezocht worden. Tijdens het Nieuwe Rijk was er een vizier voor Neder Egypte en één voor Opper Egypte.

Vroegdynastische periode: tijdsperiode (0-2de dynastie) die na de Predynastieke periode kwam en voor het Oude Rijk (vanaf 3de dynastie). Er bestaan ook andere indelingen.

Was scepter: staf met gevorkte onderkant en een gestileerde dierenkop aan de bovenkant, een machtssymbool van de goden welke overgedragen werd aan de koning.

Witte kroon: kroon die Opper Egypte symboliseert.

Zalfkegel: een geurkegel bestaande uit van dierlijke vetten en geurstoffen gemaakte zalf welke op het hoofd gedragen werd. Dikwijls afgebeeld bij feesten.

Zandsteen: reeds gebruikt in Hierakonpolis, verwerkt in de tempel van Montoehotep in Deir el-Bahari, werd de favoriete bouwsteen vanaf het midden van de 18de dynastie en verdrong zo kalksteen als voornaamste bouwmiddel.

Zuil: niettegenstaande houten zuilen voorkwamen, waren deze meestal in steen uitgevoerd, ook in privé-constructies. Oorspronkelijk wel allemaal in hout gemaakt, waren de latere stenen versies dikwijls nabootsingen van planten. Zo had je palmzuilen, lotuszuilen, papyruszuilen (met gesloten of open kapiteel), maar ook tentstokzuilen.

:peace:
Gebruikers-avatar
Philip Arrhidaeus
Site Admin
 
Berichten: 6379
Geregistreerd: Do Mrt 23, 2006 3:16 pm
Woonplaats: Vlaanderen

Terug naar Algemene onderwerpen

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast

cron